Actualiteiten

Advocatuur Mediation Overlegscheiding


Het Hof van Justitie staat een hoofddoekverbod door de werkgever toe

Het Hof van Justitie staat een hoofddoekverbod door de werkgever toe
Geplaatst op vrijdag 7 april 2017

Er is veel discussie over de vraag of een hoofddoek op het werk wel of niet is toegestaan. De ene werkgever verbiedt het dragen van een hoofddoek op de werkvloer, terwijl de andere werkgever er geen probleem mee heeft. Op 14 maart 2017 heeft het Europese Hof van Justitie duidelijkheid gegeven over de vraag of een hoofddoekverbod op de werkvloer is toegestaan.

Ontslag wegens het dragen van een hoofddoek
In deze procedure ging het om mevrouw Samira Achbita, een moslima die als receptioniste werkzaam was bij de Belgische firma G4S Secure. Op het moment dat zij in dienst trad bij G4S, droeg zij geen hoofddoek. Echter, toen zij drie jaar bij G4S werkte, wilde zij voortaan een hoofddoek op de werkvloer dragen. In het bedrijfsreglement is bepaald dat het werknemers verboden is om op de werkvloer zichtbare tekenen van religieuze, politieke of filosofische aard te dragen. Dit verbod gold ook al op het moment dat mevrouw Achbita in dienst trad bij G4S. G4S stond dan ook niet toe dat mevrouw Achbita op de werkvloer een hoofddoek wilde dragen. Dit druiste in tegen de neutraliteit die G4S wilde uitstralen. Omdat mevrouw Achbita vasthield aan haar beslissing om een hoofddoek op de werkvloer te willen dragen, is zij uiteindelijk door G4S ontslagen.

De arbeidsrechtbank Antwerpen heeft het beroep van mevrouw Achbita tegen het ontslag verworpen. Vervolgens is zij in hoger beroep gegaan en uiteindelijk heeft zij cassatieberoep ingesteld. Mevrouw Achbita heeft in haar cassatieberoep aangevoerd dat de begrippen directe en indirecte discriminatie op een onjuiste wijze door de Antwerpse rechter zijn uitgelegd. Het Hof van Cassatie heeft naar aanleiding hiervan prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie.

Directe of indirecte discriminatie
Het dragen van een hoofddoek wordt aangemerkt als het uiten van een geloofsovertuiging. In Nederland wordt dit beschermd door het beginsel van gelijke behandeling dat is neergelegd in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Op basis van deze wet is het de werkgever onder andere verboden om direct en indirect onderscheid op grond van godsdienst te maken.

Van direct onderscheid is sprake indien een persoon anders wordt behandeld dan een andere persoon in een vergelijkbare situatie. Dit onderscheid kan onder andere gelegen zijn in geslacht, ras, leeftijd en godsdienst. Direct onderscheid op grond van godsdienst is te allen tijde verboden. Indirect onderscheid houdt in dat een in eerste instantie neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze bepaalde personen in vergelijking met andere personen bijzonder treft. Indirect onderscheid op grond van godsdienst is enkel toegestaan indien hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond is. Dit is het geval als onderscheid wordt gemaakt om een legitiem doel te dienen en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

Uitspraak Europese Hof van Justitie
Het Europese Hof van Justitie heeft in haar arrest de vraag beantwoord of het dragen van een hoofddoek op de werkvloer directe dan wel indirecte discriminatie oplevert. Het Hof van Justitie is van oordeel dat het verbod om een hoofddoek op de werkvloer te dragen, welk verbod voortvloeit uit een interne regel die het zichtbaar dragen van enig religieus, politiek of filosofisch teken op het werk verbiedt, geen directe discriminatie op grond van godsdienst oplevert. Alle werknemers worden door deze regel hetzelfde behandeld. Voor werknemers geldt op grond van deze regel de verplichting om zich neutraal te kleden.

Inden zou worden vastgesteld dat de in de regel opgenomen in eerste instantie neutrale verplichting in feite tot gevolg heeft dat personen met een bepaalde godsdienst worden benadeeld, dan zou deze regel wel indirecte discriminatie kunnen opleveren. Deze indirecte discriminatie kan gerechtvaardigd worden door een legitiem doel. Het Hof van Justitie is van oordeel dat het nastreven van een werkgever van religieuze, politieke en filosofische neutraliteit een legitiem doel is. Wel dient de werkgever hierbij passende en noodzakelijke middelen te nemen om dat doel te bereiken. Het verbod van de werkgever wordt in deze procedure beschouwd als passend en noodzakelijk.

Conclusie
Het Hof van Justitie heeft bepaald dat het hoofddoekverbod op de werkvloer geen discriminatie is. Het is werkgevers toegestaan om hun personeel te verbieden om een hoofddoek of andere religieus symbool te dragen op de werkvloer. Het Hof van Justitie verbindt aan dit verbod wel de voorwaarde dat het verbod moet zijn gebaseerd op een interne regel, zoals een bedrijfsreglement, waarin is bepaald dat het op de werkvloer dragen van zichtbare tekenen van religieuze, politieke of filosofische aard niet is toegestaan.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of heeft u een andere vraag op het gebied van het arbeidsrecht, dan kunt u contact opnemen met Eline Geven of Tessa de Mos

Terug naar het nieuwsoverzicht

Team van advocaten gevestigd in Eindhoven gespecialiseerd in arbeidsrecht, personenrecht, familierecht, erfrecht, huurrecht, incasso's en algemeen verbintenissenrecht.
Van Eerdenburg De Mos
advocatuur & mediation
Augustijnendreef 2
5611 CS Eindhoven
T: 040 - 82 00 906
F: 040 - 82 00 912



Ontwerp en techniek © 2013-2018 Montay Media